Financiële stabiliteit

Monetair beleid

Betalingsverkeer

Toezicht

Geografisch

Financiële instellingen

Economisch

Bedrijfsvoering

Jaarrekening

De omslag in de wereldeconomie

Al in de tweede helft van 2006 waren de eerste tekenen zichtbaar van een aanstaande omslag in de wereldeconomie. In de eerste helft van 2008 werd deze omslag in een groot deel van de geïndustrialiseerde economie reeds min of meer een feit, nog voordat de kredietcrisis ten volle was uitgebroken. De drijvende kracht achter deze wending in de conjunctuur was de explosieve stijging van de grondstoffenprijzen.

Het heeft eigenlijk verrassend lang geduurd voordat ook de reële economie zichtbaar werd getroffen door de perikelen in de financiële wereld. Europa en de opkomende economieën hebben geruime tijd volgehouden dat zij aanzienlijk minder, respectievelijk niet, door de gebeurtenissen in de Amerikaanse economie zouden worden geraakt. Eind 2007/begin 2008 waren er nog heel wat aanhangers van de zogenoemde 'decoupling theory'. In de eerste helft van 2008 begon echter geleidelijk steeds duidelijker te worden dat de kredietcrisis haar sporen tot ver buiten Amerika zou nalaten, maar pas in het laatste kwartaal verslechterde het beeld dramatisch.

De vertrouwensschok door de val van Lehman Brothers medio september raakte de wereldeconomie midscheeps. In een ongekend hoog tempo moesten de groeiramingen voor 2009 door de internationale organisaties, zoals IMF en OECD, neerwaarts worden bijgesteld. De huidige ramingen voor 2009 betekenen dat de wereldeconomie in dit jaar de laagste groei sinds de Tweede Wereldoorlog zal kennen. Ook de belangrijkste groeimotor van de wereldeconomie in de afgelopen jaren - Azië - is in het vierde kwartaal van 2008 dramatisch gaan haperen. In landen als Japan en Korea werden in het vierde kwartaal van 2008 (geannualiseerde) krimpcijfers voor het bbp van ongekende omvang genoteerd (13% respectievelijk 21%). De snelheid waarmee de vertrouwensschok zich heeft vertaald in vraaguitval en productieverlies is sinds de Grote Depressie niet meer voorgekomen. Bij dit alles is voor de Aziatische regio een gelukkige omstandigheid dat na de crisis van 1997/1998 voorzichtigheidshalve substantiële valutareserves zijn opgebouwd, resultante van een vaak bekritiseerd, maar voor de betrokken landen thans zeer van pas komend beleid.

Ook buiten Azië is de situatie in een aantal ontwikkelingslanden verontrustend door de sterke daling van grondstoffenprijzen, het wegvallen van de externe vraag, een moeilijke toegang tot de internationale financiële markten of een combinatie van deze factoren. Omhoog geschoten risicopremies en terugtrekkend kapitaal hebben de beschikbaarheid van krediet in een aantal van deze landen inmiddels zodanig verminderd dat voor een sterke ineenschrompeling van de reële economie moet worden gevreesd.

Zeer zorgelijk is inmiddels de situatie in Centraal- en Oost-Europa, waar de perspectieven voor de economische groei in korte tijd dramatisch zijn verslechterd. Aandelenmarkten in de regio hebben sinds de val van Lehman Brothers ruim 60% aan waarde verloren, spreads zijn verdriedubbeld, buitenlands kapitaal wordt teruggetrokken en wisselkoersen staan onder zware druk. Hoewel de ernst van de situatie van land tot land verschilt, is het ondenkbaar dat deze problemen zonder hulp van buiten het hoofd kunnen worden geboden. Overigens is dit ook voor de rest van Europa een kwestie van eigenbelang, gezien de grote mate van economische vervlochtenheid van de respectievelijke regio's via het handelskanaal en de financiële dienstverlening. In aanvulling op de reeds zware involvering van het IMF, is daarom ook steun vanuit de Europese Unie onontbeerlijk, in weerwil van de besluitvorming tijdens de top van regeringsleiders begin maart.

Hoe past Nederland in dit alles? De fundamenten van de Nederlandse economie zijn de afgelopen jaren op vele terreinen duidelijk verbeterd, zoals de arbeidsmarkt, het begrotingsbeleid, de sociale zekerheid en de concurrentiekracht. Ondanks de geleidelijk aan kracht winnende tegenwind kon in 2008, door een grote overloop uit het daaraan voorafgaande jaar, toch nog een bbp-groei van 2% worden gerealiseerd. De Nederlandse economie is zeer open en heeft een relatief grote financiële sector, die stevig door de crisis en andere perikelen rond onze financiële instellingen is getroffen. Het is dan ook niet verrassend dat ook voor ons land de groeiramingen voor 2009 in een zeldzaam hoog tempo moesten worden bijgesteld. Niet eerder was in Nederland de groeiraming een jaar vooruit zo negatief als de DNB-raming voor 2009 in december 2008. Evenmin kwam het ooit eerder voor dat een groeiraming twee jaar vooruit zo laag was als de raming van DNB voor 2010. Het CPB raamt thans, medio februari 2009, voor het lopende jaar een negatieve bbp-groei van 3,5%, de grootste krimp in vredestijd sinds 1931, en voor 2010 een stagnatie van de groei, met risico's in neerwaartse richting.

De meeste raminginstituten voorzien op dit moment, mede als gevolg van de getroffen en/of aangekondigde stimuleringsmaatregelen, een herstel in 2010, soms zelfs betrekkelijk fors, maar twijfel over het realiteitsgehalte van deze ramingen is voorshands troef. Het geijkte voorspelinstrumentarium is toegesneden op omstandigheden waarin de financiële sector in hoge mate de vraag in de reële economie accommodeert. Zolang financiële markten en de balansen van instellingen niet op orde zijn, is dat echter geenszins vanzelfsprekend meer. Er bestaan daarom thans grote onzekerheden over de verdere interactie tussen de financiële sector en de reële economie. Daarbij komt dat voor opgeloste problemen in de financiële sector steeds weer nieuwe in de plaats lijken te komen. Tegen deze achtergrond is het nagenoeg onmogelijk met enige nauwkeurigheid te voorspellen hoe diep de teruggang zal worden en hoelang zij zal duren. Recessies in combinatie met financiële crises, zo wijzen de ervaringen uit, plegen relatief lang te duren. Dat komt doordat de financiële sector onder zulke omstandigheden slechts moeizaam zijn functie als intermediair tussen spaarders en investeerders kan vervullen.

Cruciaal is verder hoe de woningmarkten in de verschillende landen zich de komende tijd zullen ontwikkelen. De geschiedenis leert dat het meestal meerdere jaren duurt voordat de woningmarkt na een omslag haar diepste punt heeft bereikt. Waar het herstel zal beginnen, is evenmin eenvoudig vast te stellen, maar niet onwaarschijnlijk is dat de Aziatische regio het voortouw zal kunnen nemen, omdat aldaar de financiële sector minder is getroffen, de afgelopen jaren buffers zijn opgebouwd en de economieën in deze regio relatief flexibel zijn. Wat betreft de VS zal het een tijd lang moeilijk te beoordelen zijn in hoeverre het groeiherstel dat daar zal gaan optreden als gevolg van het enorme stimuleringspakket tijdelijk of meer blijvend van aard is. Belangrijk daarbij zijn de ontwikkelingen op de Amerikaanse huizenmarkt, waarvan op dit moment nog geen signalen uitgaan dat aan de prijsdalingen een einde is gekomen, alle (aangekondigde) stimuleringsmaatregelen ten spijt. Pas wanneer wanbetalingen op hypotheken en gedwongen woningverkopen significant afnemen, kan met enig vertrouwen geconcludeerd worden dat de bodem bereikt of in zicht is. Zo ver is het echter nog niet en gezien de vooruitzichten voor koopkracht en werkgelegenheid in 2009, kan dat moment ook nog even op zich laten wachten.

Een lichtpunt bij dit niet al te zonnige beeld is het wegebben van de inflatoire druk, die medio 2008 nog zeer sterk was. De spectaculaire daling van de grondstoffenprijzen, die zich vanaf dat moment is gaan voltrekken, vormt daarvan de belangrijkste oorzaak. Door deze ontwikkeling neemt thans wel het risico op deflatie toe. Ook voor het eurogebied mag niet worden uitgesloten dat zich maanden van negatieve prijsstijging zullen voordoen. Op zichzelf bezien, is dit geen probleem, zolang consumenten hierdoor hun bestedingen niet voortdurend gaan uitstellen in de hoop op verdere prijsdalingen. Verder verzwakken prijsdalingen uiteraard de positie van debiteuren. De lijn tussen disinflatie, een prijsdaling zonder verdere ongunstige economische neveneffecten, en deflatie waarin versterkende negatieve gevolgen op gang komen, is in de huidige omstandigheden, waar vertrouwensfactoren een wezenlijke rol spelen, een zeer dunne. De angst om in zo'n situatie terecht te komen is dan ook een belangrijke drijfveer voor de Amerikaanse autoriteiten geweest om medio februari 2009 met een uitermate omvangrijk stimuleringspakket te komen en de monetaire beleidsrente naar nul te verlagen.

Bij al dit weinig opwekkende nieuws moet overigens steeds worden bedacht hoe onvolkomen de kennis van het financiële systeem is. Dit is een understatement als we kijken naar hetgeen zich thans voltrekt. Het betekent echter ook dat meevallers kunnen optreden. Als het vertrouwen, om redenen die altijd moeilijk te voorspellen zijn, een positieve wending zou nemen, kunnen economieën sneller op een stevig groeipad terechtkomen dan nu wordt voorzien.